inleiding




Op deze pagina's wil ik enkele aspecten van het bestaan beschrijven in het licht van de overweging dat een ruimtelijke constellatie van eenheden gevoeligheid toont, voor een omgeving, naarmate ze ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Hoe losser een verzameling van eenheden in de ruimte is, des te groter is het vermogen dat daarin ligt om de omgeving te ervaren en weer te geven.

Er is een evolutie waarin steeds genuanceerder soorten van samenhang zijn ontstaan, met een grotere gevoeligheid die van de omgeving kan getuigen - bij de talige mens is de kennis en weergave zelfs eindeloos veranderlijk. Dat wil niet zeggen dat inzichten hun geldigheid moeten verliezen, maar wel dat er steeds nieuwe herordeningen mogelijk zijn voor de denker.

Het besef daarvan geeft ons de ervaring van dingen en wezens als zelfstandige, losse entiteiten in de ruimte - en daarmee een zelfbesef dat zich belichaamde kennis weet.

Hieronder zal ik proberen om een non-dualisme van bewustzijn en ruimte 'an sich' aannemelijk te maken. Bij de conclusie geef ik een paar aanbevelingen om de samenleving te verbeteren.

Dit opstel is vooral gebaseerd op de Upanishaden ( 1) en Max Scheler's opvattingen over de biologie ( 2).

Terwille van de uitlijning van de tekst op het beeldscherm heb ik woorden die men gewoonlijk aaneenschrijft soms van een koppelteken voorzien.

Klik hier als dit opstel in een ongewenst kader getoond wordt.


J. Boerlage
Rotterdam
17 oktober 2013



biologie

Bij een levend wezen stemt de gevoeligheid voor de omgeving overeen met de veranderlijkheid die beïnvloeding toelaat. Hoe veranderlijker het wezen is, des te gevoeliger is het. Ik zal me aan de neo-darwinistische theorie houden, die veronderstelt dat door toevallige afwijkingen in het erfelijk materiaal en natuurlijke selectie, bij wedijver om benodigdheden, doorgaans veelzijdiger soorten wezens ontstaan.

Hieronder wordt het verband van lichamelijke soepelheid en gevoeligheid aan de orde gesteld en betoogd dat het een creatieve dissociatie (de term is van Scheler) van bewegingspatronen is die optrad in de biologische evolutie.

Hoe de eerste levende verbindingen zijn ontstaan is niet bekend maar ik neem aan dat er een specialisering van anorganische verbindingen was, waarbij een gedeelte als ingang voor aantrekkelijke stoffen ging dienen terwijl een ander gedeelte onbruikbaar materiaal naar buiten zette. Hoe beter dat functioneerde des te meer kans had zo'n patroon om voort te bestaan.

Als organische verbindingen stoffen opnemen worden die gebruikt om hun specifieke openheid in stand te houden en duplicaties van de verbinding te maken - zolang ze vinden wat ze voor hun bouw nodig hebben blijven ze de omgeving aftasten op zoek naar meer en demonstreren ze iets van de aard ervan. Ze zijn beter geïnformeerd over de natuur dan de dingen.

Levende verbindingen zijn georganiseerd in cellen. Elke cel bestaat uit protoplasma - een gelei met een ietwat wisselende samenstelling waarin opgenomen stoffen verwerkt worden - gelegen in een semi-permeabel membraan. Er zijn eencellige en meercellige organismen - de laatste hebben voor divers werk gespecialiseerde organen opgebouwd.

Wanneer een levend wezen door een stimulans wordt veranderd doet het een indruk op van de omgeving. De aangeboren veranderlijkheid is meestal geschikt om te overleven en belichaamt dus vermoedens ten aanzien van de wereld, verborgen verwachtingen die bij dieren en mensen nog individueel genuanceerd kunnen worden.

Planten tonen een eenvoudig besef van de omgeving. Ze kunnen vocht, zouten en zonlicht opnemen en reiken door te groeien naar meer van het goede. Ze worden m.i. niet gedreven door zoiets als een levenswil, maar geven expressie aan hun soortspecifieke openheid. En ze zeggen, zoals bij boomringen, iets over hun verleden, over de omstandigheden die meer of minder gunstig waren in hun leven. Ze schrijven een verhaal voor wie het kan lezen en tonen met hun vormenrijkdom bovendien een schoonheid die voor het voortbestaan niet nodig is.

Misschien dat ze op hun beperkte wijze uiting geven aan de algemene openheid van de natuur voor de toekomst - wat we in het non-dualisme van de Upanishaden en naar mijn mening ook in het Nieuwe Testament kunnen lezen. Desgewenst kunt u tegenwerpen dat de openheid of de natuur niet bestaan, dat er alleen entiteiten met een bepaalde waarde zijn. Maar dat hoeft u niet te doen.

Planten zijn competitief maar soms ook behulpzaam, wanneer ze stoffen afscheiden die andere planten informeren over gevaar - zo houden ze de erfelijke gevoeligheid in stand. Die groter is dan bij dingen, omdat ze beweeglijker zijn. Weliswaar zijn ze aan een plek gebonden, maar ze kunnen al communiceren en de omgeving aftasten. Dieren zijn nog leniger omdat ze een zenuwstelsel, spieren en meestal ook een skelet hebben. De overgang van plantaardig naar dierlijk leven toont vele merkwaardige mogelijkheden om met de wereld in contact te treden.

Ik wil met gebruikmaking van Scheler's interpretatie het dierlijke en menselijke gedrag onderscheiden in enerzijds de aangeboren, instinctieve beweeglijkheid en anderzijds de associatieve, de praktisch intelligente en de speculatieve of artistieke afwijkingen ervan.

Inherente verwachtingen ten aanzien van de omgeving, die we bij planten zien bij de wisseling van de seizoenen, zijn er ook bij dieren - denk bijvoorbeeld aan eekhoorntjes die voedsel verzamelen voor de winter, zelfs als ze die nog niet eerder hebben meegemaakt. Maar ze kunnen ook nieuwe bewegingen leren, als hun instinctieve motoriek door dezelfde oorzaak regelmatig en naar tevredenheid onderbroken wordt. Zo leert een hond bij de proef van Pavlov om voedsel te associëren met het geluid van een bel. Er vindt dan een creatieve dissociatie van de instinctieve beweeglijkheid plaats - het dier wordt losser, een beetje bevrijd van het verleden en meer open voor de toekomst.

Bij soepele dieren zoals mensapen wordt soms zonder prikkel van buiten de inschatting van een situatie herordend, ten behoeve van hun voortbestaan, wanneer ze iets als middel erkennen om aan voedsel te komen. Ze bezitten, of worden geleid door, een praktische intelligentie - die echter meer vermag dan het gebruik van gereedschap, dat immers ook aangeleerd kan zijn. Het gaat erom dat de bewerking van informatie in hun hersenen ongedwongen (maar nog steeds volgens de natuurwetten) gebeurt.

Veel meer dan planten en dieren kan een mens afwijken van het soortgebonden gedrag. Welke bewegingen instinctief en welke cultureel aangepast zijn is niet altijd duidelijk. De eerste worden gereguleerd door de limbische structuur van de hersenen (3), de tweede vooral door de neo-cortex, die onze instinctieve opwellingen belemmert en nuanceert.

Er wordt beweerd dat vanwege de resulterende vrijheid mensen tot wreedheid bereid zijn, maar dat lijkt me niet. Gewoonlijk werken folteraars immers in een organisatie en verlangen ze erkenning, veiligheid en liefde - ook van hun slachtoffer. Ze zijn in feite niet bijzonder zelfstandig en ook niet wezenlijk anders dan dieren (4).

We zouden hen instrumentalisten kunnen noemen - als het werkt is het in orde.

taal

De onafhankelijkheid die een mens heeft van het verleden komt tot uiting in het spreken en schrijven van steeds nieuwe verhalen. De taal kan het inzicht en de expressie zozeer nuanceren, of ondermijnen, dat er geen onomstreden betekenis meer lijkt te zijn - wanneer dat het geval is, veelal ten overstaan van een ander mens die we niet kunnen peilen, ervaren we een vragend bewustzijn dat weet heeft van zijn actuele aanwezigheid in de wereld, een zelfbesef. Dat is niet meteen een moreel besef (zie Levinas), maar wel een aarzeling die ons in staat stelt tot heroverweging. Dan kunnen we een afkeer van een eerdere waardering ervaren en daartegen bewust "nee" zeggen.

(Alleen de mens is een 'Neinsagenkönner'. U kunt ook de slimste mensaap niet vragen wat niet het geval is.)

De griekse sofisten concludeerden dat de individuele mens de maat is van alle dingen, maar Plato merkte op dat we gebruik maken van gedeelde begrippen om de dingen voor onszelf te onderscheiden - iets kan een subjectieve mate van bitterheid of goedheid hebben - zodat we bij het meten toch naar een enkele werkelijkheid verwijzen.

De mens kan beloften doen. Woorden waarmee men een handeling voltrekt (performatieven), zoals het afleggen van een eed, functioneren omdat mogelijk onbetrouwbare sprekers zelf hun gerichtheid, hun trouw kunnen goedkeuren of niet. We gaan er bij performatieven vanuit dat een mens altijd in staat is om van zijn verleden af te wijken - de mens lijkt een onkenbare, speculatieve veranderlijkheid te hebben die met een gelofte zou moeten worden ingeperkt.

De zelfbeweging van levende wezens kunnen we voldoende begrijpen zonder een geest of ziel als oorzaak te veronderstellen. Maar als we onder geest de veranderlijkheid van een lichaam begrijpen (vooral van de hersenen) dan kunnen we aansluiten bij het inzicht dat mensen een bijzondere positie in de natuur innemen omdat ze volledige vrijheid van het verleden kunnen ervaren (ontvangen, in feite). Bij machte tot een vergevings-gezindheid die meer dan rationeel is.

(Niet dat ik daarvoor pleit. Als we de vriendschap willen laten bloeien is het noodzakelijk dat schurken opgesloten worden - waarbij ook zij een kans verdienen om wat van het leven te maken, zolang dat niet te duur is. Dat de samenleving van wraak naar de gedachte (niet meer dan) 'oog om oog, tand om tand' en dan naar onvoorwaardelijke vergeving tendeert is wetenschappelijk correct, omdat we immers moeten roeien met de riemen die ons aangereikt zijn - ze deugen soms niet.)

Het lijkt me dat de geslotenheid van de bewegingspatronen in het heelal steeds minder is geworden, zodat tenslotte in een zelfbewust wezen de algemene, vrije ruimte tot uitdrukking komt die ook buiten ons bestaat. Het woord 'ik' betekent in dat geval niet alleen een gekende, beperkte veranderlijkheid maar ook een eeuwige, alomvattende ruimte die we vertegenwoordigen (vgl. Hegel).

Misschien verwijst de quantummechanica daarnaar. Op microscopisch niveau bestaan de verschijnselen uit een bijeenzijn van kleine eenheden waarvan de individuele waarde onduidelijk is, enerzijds omdat de aanraking van het meten de betekenis van zulke eenheden teveel verstoort maar vooral omdat ze principieel niet bewegen volgens de ons bekende beperkingen. Het is alsof ze zijn uitgesmeerd over de ruimte.

Illustratief is de proef van Young. Als licht vanuit een enkele bron langs twee wegen op een wand valt ontstaat daarop een interferentie-patroon van lichte en donkere gebieden - golven versterken elkaar en doven elkaar uit, zo lijkt het. Maar dat patroon ontstaat ook als lichtdeeltjes individueel, na elkaar worden uitgezonden - zolang ze geen waarnemer met zelfbesef raken. Dan stort hun golf van mogelijke waarden in tot een positie in onze wereld (5).

Ik weet niet wat we daarvan moeten denken.

conclusie

Wie zich afvraagt wat er te doen is dient zich op de hoogte te stellen van de meest wijde omgeving en de eventuele nieuwe aspecten ervan. Een onbekende omgeving nodigt de weetgierigen uit - verplicht hen zelfs - tot een wetenschappelijke en morele zoektocht waarop zij uit de aard der zaak hun gevestigde oordelen ter discussie stellen.

Als er inderdaad een onbepaald veranderlijke natuur ten grondslag ligt aan de verschijnselen is het aan zulke mensen om te proberen de samenleving zo in te richten dat voor de burger een zo groot mogelijke vrijheid tot meningsvorming nagestreefd wordt. Niet voortbestaan, geluk of gelijkheid maar een mentale ongedwongenheid zou het oogmerk zijn van hen die willen weten wat de uiteindelijke bedoeling in de wereld is - hoe zou hun samenleving, die we socratisch kunnen noemen, er uitzien?

Het is gebruikelijk te denken dat een mens slechts een subjectieve visie kan hebben op de omgeving en dat we daarover eindeloos kunnen twisten - maar ik vermoed dat we de beste kennis kunnen benaderen, door met anderen te delen in nonchalance en Bildung, in een 'herrschaftsfreie' dialoog (Habermas).

Men zou kunnen zeggen dat we anderen niets verplicht zijn omdat we nooit weten of ze onze woorden werkelijk begrijpen. Maar wie geen kwaad in de zin heeft kent hen in beginsel een onschendbare geest (mind) toe, conform de wet, zodat dit argument in praktijk niet geldt (6). Zulk mede zijn met mensen is een levenshouding die de mentale vrijheid van iedereen respecteert en m.i. van een hoger niveau is dan de solidariteit die (soms terecht) gevraagd wordt omdat men deel uitmaakt van een gemeenschap.

Theorieën omtrent natuurlijke rechten en plichten zijn in het verleden gebaseerd op de veronderstelling dat het bestaan een bepaalde ordening heeft, eventueel geopenbaard door een god - maar die veronderstelling wordt, net als het dictaat van een tiran, twijfelachtiger wanneer mensen aan beweeglijkheid winnen. Uiteindelijk is men dan ook tot een democratisch bijeenzijn overgegaan, met een stem voor elke gezonde volwassene.

Het is de algemeen menselijke ontwikkeling naar de 'open society', waarin de samenleving de burgers zoveel mogelijk in staat stelt om nieuwe meningen te vormen en (als dat geen groot gevaar met zich meebrengt) te uiten - scholing en sociale voorzieningen behoren daarop gericht te zijn.

Ik wil u de volgende ideeën aanraden.

1. Laten we waar mogelijk werknemers enige zeggenschap geven over de beloning van hun leiding-gevenden, bijvoorbeeld door hen via de ondernemingsraad in de gelegenheid te stellen een jaarlijkse bonus goed te keuren - zo ontstaat er meer begrip voor de machtsvrije dialoog. Vanwege de concurrentie kan dit het beste in europees verband gebeuren.

2. Het parlement zou permanente subcommissies moeten hebben om de overheid beter te kunnen controleren (7).

En ieder die in het geheim de inlichtingen- en veiligheidsdiensten helpt zou zich bij het parlement moeten melden. Dat kan eenvoudig met een formulier en het zou hun wettige activiteit niet hinderen.

Er is nu wel een commissie van toezicht, maar die is afhankelijk van de mensen die men wil controleren. Ik pleit er voor dat de serieuze kranten en aansluitende media expliciet verklaren dat ze niet heimelijk berichten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zullen publiceren.

3. De plicht tot geheimhouding in het parlement moet worden afgezwakt, zodat kamerleden niet steeds hoeven te zwijgen over de dubieuze zaken waarvan ze op de hoogte gesteld worden.

4. Elke kiesgerechtigde zou een extra stem moeten kunnen kopen, voor een prijs naar draagkracht. Dan groeit de doelgroep van mensen die een klein offer willen brengen voor de discussie, wat het niveau in het parlement ten goede zou komen. Overeenkomstig de natuurlijke evolutie behoren tolerante maar kritische burgers meer invloed te krijgen.


annotatie

1 ^
Zie de uitleg van Sri Sankara - Upadesa Sahasri/A thousand teachings, Sri Ramakrishna Math, India.
Sankara was een indisch filosoof die leefde in de 8e eeuw n.C. De Upanishaden zijn geschriften uit de 6e eeuw v.C. en later, waarin o.a. de gedachte werd uitgesproken dat de menselijke ik-zegger (Atman) gelijk is aan het fundament onder de verschijnselen (Brahman).

2 ^
Max Scheler - Die Stellung des Menschen im Kosmos, Francke Verlag, Bern, 1928.
Het laatste boek van deze duitse filosoof. Hij plaatst erin de beperkte instinctieve, associatieve en praktisch-intelligente gedrags-patronen tegenover de ongedwongenheid van de Geist, die in de mens als speelruimte aanwezig is.

3 ^
Zie ook Piet Vroon - Tranen van de krokodil, Ambo, Baarn, 1989.

4 ^
Ik meen dat er in het onderwijs meer aandacht moet worden besteed aan de gevaren van een te simpele gezagsgetrouwheid, aan 'Vasallentreue'. Zie bijvoorbeeld Helmut Ortner over Roland Freisler, Präsident van het Volksgerichtshof ten tijde van de nazi-regering.

Helmut Ortner - Der Hinrichter, Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt, 2013 (2e druk).

5 ^
Zie Jeffrey A. Barret - The Quantum Mechanics of Minds and Worlds, Oxford University Press 1999.

6 ^
Ondanks onze leedgevoeligheid worden we wel eens bedrogen, dus de vraag is niet louter academisch.

Zie Simon Glendinning - On being with others, Routledge, London, 1998.
Glendinning bespreekt Austin, Heidegger, Derrida en Wittgenstein.

7 ^
Een voorstel daartoe van Sandor Loeffen stond onlangs in de Volkskrant ("Maak onderzoek Kamer permanent.").